Marc Schuilenburg
Een gevangene met een houten been klaagt voortdurend dat hij dorst heeft. In het café heeft hij nooit last van dorst. Hij besluit zich onder elektronisch toezicht te laten plaatsen. Hiertoe verkrijgt hij een zender in de vorm van een enkelband die twee keer per minuut een signaal uitzendt naar een ontvanger, die in zijn woonkamer staat opgesteld. Deze ontvanger staat via een telefoonlijn in verbinding met een computer in de meldkamer van een particulier beveiligingsbedrijf. De gevangene krijgt de enkelband om zijn linker kunstbeen bevestigd. Op deze manier combineert hij twee kenmerken: die van een gevangene en die van een machine, wat uiteindelijk resulteert in gevangene noch machine. Voor wie de Terminator-films heeft gezien is hij een cyborg geworden: een mens/machine symbiose. Om precies te zijn, een cyborg met een houten been. Elke dag laat onze Schwarzenegger zijn been thuis achter wanneer hij naar het café gaat. Hij heeft zijn lichaam zonder organen gevonden: een door de techniek getransformeerd lichaam dat een tweeslachtige ervaring oproept. Virtueel bevindt hij zich in zijn woonkamer, actueel op een barkruk. De eerste werkelijkheid is niet minder werkelijk dan de tweede. Zij komt alleen tot stand door bemiddeling van een technologie. Het lichaam is voor het beveiligingsbedrijf een technisch effect. Uiteindelijk komt het bedrijf bij toeval achter het bedrog. Als men hem probeert op te bellen, wordt er niet opgenomen. Hij had verzuimd zijn telefoon door te schakelen.
Stonden ooit de gevangenisstraf en haar disciplinerende werking centraal, nu - in onze mediacultuur - gaat het niet langer primair om het wegstoppen of vasthouden van een gevangene, maar om de controle van relatieve bewegingen: elektronisch toezicht als de voornaamste vorm van bestraffing ziet het levenslicht. Deze wending in de technologie van het straffen komt niet zomaar uit de lucht vallen. Ze valt samen met de verschijning van een andere machiniek. Een machiniek waarin door de geïntegreerde technologische toepassing de afstand tussen mens en media steeds kleiner is geworden. Het hierboven gegeven voorbeeld van de perfecte ontsnapping werkt in dit opzicht wellicht verhelderend. De twee variabelen - cyborg en elektronisch toezicht - klinken fantastischer dan fantastisch, maar verwijzen in werkelijkheid naar heterogene (be)werkingen, die samenvallen als knooppunt in een groter netwerk. Dit dynamische netwerk noem ik ‘machiniek’. Dit netwerk verwijst tevens naar sociale formaties, naar historische gebeurtenissen, en zonder twijfel ook naar systemen van het recht. In het recht zijn de verschillende machinieke processen zelden onderkend. Veelal wordt aan een ‘onderdeel’ gedacht, zoals in de visie van de Utrechtse School van Pompe waarin de delinquent een centrale plaats inneemt. Een ‘onderdeel’ blijft echter abstract zolang het niet wordt gerelateerd aan een machine waarin het zich productief met andere ‘onderdelen’ verbindt. In deze benadering maakt een machine allerlei bijzondere (be)werkingen - bij voorbeeld de techniek van het straffen - mogelijk. Het gaat er dus om machines niet te beperken tot technische - in de zin van mechanische - productieapparaten. Ze dienen in een breder verband te worden doordacht. Machines zijn sociaal-technologisch. Vanuit deze optiek zijn vanaf de negentiende eeuw verschillende machines te onderscheiden die ieder een specifiek vertoog en een sociaal-technologisch netwerk van macht en weten met zich meebrengen. Deze niet-metaforische machines vallen niet te analyseren aan de hand van traditionele schema’s en lijken te ontsnappen aan wetten en regels. Het zijn de oorlogsmachine, zichtmachine en vleesmachine.
Laten we ons in de eerste plaats richten op de oorlogsmachine. Er zijn verscheidene oorlogsfilms gemaakt en er is veel over oorlog geschreven. Stanley Kubrick toont in het eerste gedeelte van de film Full Metal Jacket de lichamelijke disciplinering van rekruten tot soldaten. Ze worden in alle opzichten uitgerust voor de oorlog. Kortom, de militaire, ideologische oorlogsmachine. Carl von Clausewitz schrijft in Vom Kriege dat de oorlog een voortzetting van de politiek met andere middelen is. Michel Foucault radicaliseert dit inzicht. De politiek is altijd al een voortzetting van oorlog met andere middelen. Een voorbeeld hiervan geeft hij in Discipline, Toezicht en Straf, waarin hij beschrijft hoe een door pest geplaagde stad een blauwdruk vormt voor een disciplinaire samenleving. De dreiging van pest vereist een parcellering van afzonderlijke ruimten. De stad wordt opgedeeld in verschillende wijken, die stuk voor stuk onder het gezag worden geplaatst van een ambtenaar die is belast met huishoudelijke aangelegenheden. Tegelijkertijd vatten militairen post bij iedere poort en hoek van de straat om er voor te zorgen dat niemand zijn woning kan verlaten. Deze vorm van toezicht blijkt exemplarisch voor de latere disciplinaire samenleving, waarin het individu van afgesloten plaats naar afgesloten plaats gaat (school, kazerne, fabriek en misschien de gevangenis). Het belangrijkste gevolg van deze disciplinering is volgens Foucault dat het lichaam van het individu wordt ontdekt als object van manipulatie en analyse. Illustratief voor dit lichaam als object van analyse laat de film Body of Evidence zien. Hierin wordt het geseksualiseerde lichaam van Madonna verdacht: het lichaam staat uiteindelijk voor moord terecht in de rechtszaal.
Hoewel ik de inzichten van Foucault deel, meen ik dat de disciplinering nog een ander gevolg heeft: de staat wordt machinieker, en wel als oorlogsmachine. Als productieapparaat richt zij zich naar binnen en oefent geweld uit dat zich niet laat verklaren in termen van een oorlog in traditionele zin. Zo kan met betrekking tot het strafrecht over het politieapparaat worden gezegd dat de staat de uitoefening van geweld monopoliseert en deze onderbrengt bij de politie. Politieagenten nemen de plaats in van militairen. Om een beter begrip van deze dynamiek te krijgen, acht ik het noodzakelijk het concept oorlog, dat wil zeggen de beschikking over staatsgeweld die wordt uitgeoefend door middel van een militaire macht, te ontdoen van zijn klassieke referentie van gewapende strijd tussen twee of meer staten. “Well, everywhere is war, me say war” (Bob Marley). Tegenwoordig is voetbal oorlog, bestaat er een prijzenoorlog, opereren transnationale bedrijven met strategieën en divisies en bestellen we een patatje oorlog. De oorlog is op alle plaatsen uitgebroken. En hoe merkwaardig het ook mag klinken, zij heeft de vrede tot doel. Niemand heeft dit beter begrepen dan George Orwell in zijn anti-utopie 1984: “Oorlog is vrede”. Onmiskenbaar krijgt deze oorlog zonder oorlog een fundamentele betekenis in allerlei tekensystemen: taalgebruik, overheidsdiensten, sociale instellingen, enzovoort.
Er voltrekt zich in de loop van de negentiende en de twintigste eeuw een militarisering van het civiele leven. Ik beperk me hier noodgedwongen tot enkele voorbeelden. De tactiek van de bijzondere bijstandseenheid van de politie is gericht op het schieten om te doden. De logistiek van de civiele oorlogsmachine bestaat uit wijkbureaus van politie en buurtpatrouilles. En in deze pure oorlog is er de retoriek van het terugkerend taalgebruik. Niet alleen in de al meer dan een halve eeuw voortslepende strijd tegen de handel in en het gebruik van verdovende middelen (‘war on drugs’), maar ook op terreinen als de internationale graffiti-scene (‘war on tags’).
Tegen de achtergrond van het werk van denkers als Gilles Deleuze en Paul Virilio kan deze steeds sterker wordende juridisch-politieke vorm van risicobeheersing nader worden geduid. Ten eerste vertaalt de oorlogsmachine de absolute vrede als haar doel in termen van normaliteit, die ze promoot en tegelijkertijd installeert. Dit niet als een functie van een mogelijke oorlog - sommige critici schrikken er niet voor terug te beweren dat we ons al in de Derde Wereldoorlog bevinden - die zij ons in het vooruitzicht stelt, maar als een functie van het hier en nu. Ten tweede vindt in het vijandsbeeld en -denken een verschuiving plaats. De oorlogsmachine heeft geen gekwalificeerde vijand meer nodig. Ze opereert tegen ongespecificeerde binnenlandse of vreemde vijanden. Dit kunnen individuen (Desi Bouterse), groepen (krakers) of zelfs gebeurtenissen (Eurotop) zijn. Ten derde hanteert de oorlogsmachine een nieuwe conceptie van veiligheid, namelijk veiligheid als een zuiver binnenlandse aangelegenheid. Deze gedachte uit zich in een zero-tolerance beleid waarin een streven naar normaliteit gepaard gaat met de uitsluiting van ieder mogelijk op te treden risico.
Het is hoog tijd om het strafrecht opnieuw te doordenken. Door de machinieke processen, die zich met al hun discontinuïteiten, breuken en segmenteringen in het hart van het recht hebben genesteld, blijkt het strafrecht veel complexer dan de traditionele rechtsfilosofie ons in haar psychologische, sociologische, narratieve verklaringen wil doen geloven. Zo worden hedendaagse machinieke processen in het strafrecht in toenemende mate beheerst door een totale transparantie. Binnen de oorlogsmachine heeft zich een zichtmachine ontwikkeld. Tussen de beide machines zijn wezenlijke verschillen aan te wijzen. De ‘essentie’ van de oorlogsmachine is het produceren van normaliteit, terwijl de zichtmachine vooral socialiteit produceert. Voor zover de zichtmachine normaliteit versterkt, valt ze samen met de oorlogsmachine. Anders gezegd, de grens tussen de verschillende productieapparaten is niet stabiel. Machines verstrengelen, verknopen, deterritorialiseren en reterritorialiseren. Iedere machine is weer aangesloten op een andere machine. Het is daarom onjuist te stellen dat we de oorlogsmachine achter ons hebben gelaten. Het gaat niet, zoals Deleuze stelt, om “of…of…of…”, maar om “en...en...en...”. In de beschrijving van een activiteit als hacken, dat met de zichtmachine opkomt, herkennen we nog de klassieke retoriek van de oorlogsmachine. Zo wordt in de Hackers Guide gesproken over “het netwerk dat zich in een staat van oorlog bevindt waarbij twee groepen - de crackers en de hackers - de soldaten zijn”. En hackers, die de websites van Amazon, Yahoo en CNN platlegden, gebruikten wapens als ‘Trojaanse paarden’, ‘logische bommen’ en ‘denial-of-service attacks’. Er is dus geen sprake van een radicale breuk tussen de oorlogs- en de zichtmachine, maar van een fijnmazige transformatie in een complex van verschillende machinieke processen.
Wat doe je, als je ermee weg kunt komen? Dit is het dilemma waarmee een jonge onderzoeker in de film Hollow Man van Paul Verhoeven wordt geconfronteerd. Op het moment dat hoofdrolspeler Kevin Bacon ontdekt dat hij onzichtbaar is geworden, slaat hij aan het moorden en verkrachten: to be and not to be, dat is de horror. Bacon gehoorzaamt niet meer aan een moraal van het sociale. Zijn ontdekking is het subtiele punt waarop de wet van socialiteit, die slechts binnen bepaalde begrenzingen kan bestaan, de grens van haar eigen omkeerbaarheid overschrijdt. William S. Burroughs (1914-1997), voorman van de Beat Generation en schrijver van onder meer Junkie: Confessions of an Unredeemed Drug Addict (1953) en The Naked Lunch (1959), wijst in een interview met Penthouse uit 1972 op deze nieuwe techniek van macht waar Bacon aan weet te ontsnappen: “Het punt is dat de middelen van controle nu veel efficiënter zijn. We hebben computers. (...) Dus de mogelijkheden om te controleren zijn veel krachtiger dan ze ooit zijn geweest.” Vanuit een filosofisch perspectief betekent dit, dat controle de naam is die in onze maatschappij aan een complexe strategische situatie wordt gegeven.
In het artikel ‘Post-scriptum sur les sociétés de controle’ constateert ook Deleuze dat de disciplinaire oorlogsmachine met haar gesloten structuren geleidelijk haar greep verliest. De muren van scholen, kazernes, fabrieken en gevangenissen storten in. Onzichtbare muren worden opgetrokken; elektronische netwerken vormen een controlesamenleving. Mobiliteit, flexibiliteit en acceleratie zijn nieuwe kwaliteiten van deze netwerken. Binnen het strafrecht worden deze nieuwe technologieën ingezet als controlestrategieën, gericht op de beheersing van potentiële of, in niet-deterministische termen, virtuele risico’s. Het opsluitingmiddel van de toekomst is elektronisch toezicht: “een vorm van controle waarbij gebruik wordt gemaakt van een of meer elektronische componenten om, gedurende een bepaalde termijn, de aanwezigheid te verifiëren van een bepaalde persoon op een vooraf met hem overeengekomen plaats en tijd.” De verantwoordelijkheid van Justitie zal zich steeds meer beperken tot een toezichthoudende rol. De onderliggende vraag wie controleert en waarom we worden gecontroleerd, is in dit verband echter oninteressant. Het gaat om de vraag hoe nieuwe (be)werkingen van macht, techniek, weten en lichaam in één machine worden verbonden en een nieuwe bewijslast mogelijk maken.
In onze omgang met technische media krijgt de stelselmatige productie van socialiteit steeds meer gewicht. Zo heerst in uitgaansgebieden, voetbalstadions, winkelstraten, supermarkten en woonwijken de 24-uurs regie van de camera. Deze vorm van controle heft het traditionele onderscheid tussen de private en publieke ruimte op. Alle afzonderlijke ruimten zijn interdisciplinair of openbaar geworden. Ze zijn niet meer van elkaar afgesloten. Het sociale wordt transparant. De Franse filosoof Jean Baudrillard noemt deze wil tot transparantie, waarin alles echter is dan echt, pornografisch. Iedere minimale illusie is verdwenen. Eén gelukkige bijkomstigheid is er al: kijkcijfers hebben geen enkele betekenis meer. Beelden gaan nergens over. Ook als niemand nog kijkt, blijven de bewakingscamera’s draaien.
In de pornografische blik waarin niets onbelicht blijft, voegt zich de informatisering naadloos in, waardoor deze steeds meer een strafrechtelijke evidentie krijgt. Nieuwe vormen van bewijs koppelen beelden en informatie: airmilespassen, prepaidkaarten en bonuskaarten zijn als camerabeelden. Zo bleek uit het airmilesbestand van een bijstandsmoeder dat zij veel meer geld uitgaf dan iemand met een uitkering zich kan permitteren. In de beoordeling passeerde de politierechter het verweer dat een opsporingsambtenaar deze gegevens van de betreffende airmiles-organisatie had verkregen: “Zou er in het onderhavige geval gesproken kunnen worden van onrechtmatig handelen, dan zou dit op zijn hoogst een onrechtmatig handelen van de airmiles-organisatie kunnen zijn ten opzichte van de verdachte, doch hierin speelt de politie, en in het verlengde daarvan de officier van justitie geen rol.” (Zwolle, 4 juli 2000).
Eén ding is dus zeker: we zijn van een bekennende nu vooral een bekeken maatschappij geworden. De zichtmachine heeft het directe bewijs van de bekentenis, waarbij de verdachte nog de verantwoording van de misdaad op zich neemt, niet meer nodig. We beleven het einde van de psychoanalyse als moderne bekentenispraktijk. Door een informatieve transparantie valt er helemaal niets meer te interpreteren. In de woorden van de zichtmachine: “De camera zag u: u was erbij, dus u bent erbij.” De transparante controle roept eigen vormen van verzet op. Criminelen begrepen als eersten dat controle nooit sluitend is: er zijn ontsnappings- of deterritorialiseringslijnen te over. Zo bleek iemand vermoorden volstrekt ontoereikend. De oplossing voor dit probleem werd snel gevonden. Het lichaam verdwijnt pas werkelijk als het daarna in cement wordt gestort of wordt ondergedompeld in een bad met zoutzuur. Anders gezegd, onzichtbaar worden als in de film Hollow Man is een andere werkelijkheid scheppen, een vluchtlijn, een nieuw wapen. “We’re out of control” (The Chemical Brothers). Bewijst de oorlogsmachine trouwens niet hoe belangrijk deze techniek - camouflage - is?
De twintigste eeuw heeft de techniek van de controle voortgebracht, de eenentwintigste eeuw die van de modificatie. Modificatie is geen controle, maar een strategie die deel uitmaakt van een andere machiniek: de vleesmachine. Deze machines zijn geen oorspronkelijke gegevens of natuurlijke werkelijkheden. Ze zijn, om in termen van Foucault te spreken, ‘oppervlaktenetwerken’ waarin lichamen, macht en weten specifieke vormen van interactie aangaan. Het gaat hierbij niet alleen om onderdrukking. Er vinden ook productieve en positieve (be)werkingen plaats: machines werken. Zo wordt in de fijne vertakkingen en complexe vermenigvuldigingen die binnen en tussen machines plaatsvinden procesmatig een collectieve subjectiviteit gemachineerd. Met andere woorden, subjectiviteit is geen authentiek, natuurlijk gegeven, maar een proces. Subjectiviteit is een praktijk waarin de wet van de productie van productie sui generis geldt. Achteraf en reflexief kan deze productiviteit als de samenhangende betekenis van een subject - waaraan het recht een zekere mate van autonomie toekent - worden begrepen. Zodoende is het subject een kentheoretisch effect van de fundamentele samenhang die door iedere afzonderlijke machine wordt geproduceerd. Maar wanneer wij beseffen dat subjectiviteit slechts in haar (be)werkingen aanwezig is, dringt zich in het licht van het voorgaande de vraag op: “Wat is over van het autonome subject als centrum van zingeving?” Deze vraag heeft iets mysterieus, omdat ze de indruk wekt van een andere soort, een andere aard, een andere oorsprong te zijn. Ze komt ergens anders vandaan. Van een andere machine?
Op het moment dat professor Xavier in de film X-Men betoogt dat “mutanten een realiteit zijn”, beseffen we dat de mens totaal is verdwenen. De cyborg is een mutant geworden. Dit bewijzen de gentechnologie en de neurofysiologie met de ontdekking van merkwaardige ledematen als ‘de anarchistische arm’ - een arm die steeds naar de keel grijpt en probeert te wurgen - en ‘het rusteloze been’ - een been dat constant de andere kant op loopt. Met de opkomst van deze wetenschappen is de mutant een soort geworden, zoals de ‘man zonder eigenschappen’ van Robert Musil. Om dit perspectief te onderbouwen, volstaat het niet te verwijzen naar de vermeend oneindige opsporingsmogelijkheden van DNA-technieken. Daarop hebben criminelen het antwoord al gevonden: zo veel mogelijk haren en sigarettenpeuken van anderen op de plaats van het misdrijf achterlaten. Of het tegenovergestelde, zoals een verkrachter uit Milwaukee onlangs deed. De man wist zijn zaad uit de gevangenis te smokkelen en liet een nepverkrachting in scène zetten. Tegelijk betoogde hij dat het DNA van de eerste verkrachting van een andere dader was. Hij leek gelijk te krijgen toen de politie hetzelfde DNA op het lichaam aantrof van de tweede verkrachting. Totdat de politie begreep dat de verkrachting in scène was gezet en het zaad uit de gevangenis was gesmokkeld. Van meer belang is dat deze wetenschappen de basis onder het strafrecht wegslaan. Ik wil dit verduidelijken aan de hand van een drietal operaties binnen de gentechnologie waarvan de beschrijving een inleiding vormt op het dynamische machiniek, dat ik de vleesmachine zal noemen.
Er heeft zich in een kort tijdsbestek een immens vertoog rondom onze genen gevormd. Niet alleen binnen de rechtswetenschap, maar ook binnen de biologie, ethiek, geneeskunde en psychologie blijft daarbij veel onbesproken. Daarom zwengelde de Duitse filosoof Peter Sloterdijk in zijn door Nietzsche geïnspireerde lezing Regels voor een mensenpark het debat over ethiek en genetica aan met de vraag: “Wat is nog in staat de mens te temmen, als het humanisme als school van het temmen van mensen faalt?” Anders gezegd, het discours over onze genen vraagt volgens Sloterdijk om nieuwe beheersmethoden. Nu kan men bij de polemiek die naar aanleiding van Sloterdijks lezing ontstond vraagtekens plaatsen, maar duidelijk is dat onze genen de inzet van een spel tussen staat en individu zijn geworden. Dit spel richt zich op een collectief weten waarin de waarheid over ons lichaam wordt onthuld. De eenentwintigste eeuw is die van de biogenetica. Onze genen worden ook inzet van het waarheidsvertoog van het strafrecht. Binnen dit discours zijn twee, in elkaar verlengde liggende, lijnen te ontdekken. Aan de ene kant wordt DNA voorwerp van verdenking omdat het de waarheid in bewijstechnische zin spreekt. We vragen het de waarheid te spreken. Het niet afstaan van DNA maakt je bij voorbaat al verdacht. Aan de andere kant onthult DNA de waarheid of causaliteit over ons handelen. We vragen het ons onze waarheid te zeggen. In de laatste zin ontsluit de genstructuur een dimensie van het menselijk handelen. De genetische formule is de finale kerker van het lichaam. Tegen de achtergrond van zijn genetische aanleg bereikt het lichaam in de menselijke vrijheid zijn limiet. De uiterste consequentie is dat de grondslag van rechtssubjectiviteit niet meer een autonoom en vrij handelen is, maar een onderliggende genetische eigenschap. Zoals in de fabel van de schildpad en de schorpioen, waarin de schorpioen op de rug van de schildpad de rivier oversteekt. Op enkele meters van de overkant gekomen steekt de schorpioen de schildpad. Ongelovig vraagt de schildpad: “Waarom steek je me? Nu verdrinken we toch beide?” Waarop de schorpioen antwoordt: “Ik kan er niets aan doen. Het is mijn natuur.”
Zo werkt vanuit dit vertoog een ander type macht op het lichaam in. Reduceert men dit tot de technieken van discipline en controle, dan wordt voorbij gegaan aan de krachtsverhoudingen die in het nieuwe machiniek besloten liggen. Hun centrale werking noem ik modificatie. Modificatie, omdat met een verfijnde technologie van macht het lichaam aan de wortel - het DNA - kan worden getransformeerd. Het virtuele lichaam is modificeerbaar omdat het geen fysieke basis kent. Door het veranderen van genetische eigenschappen wordt een ongewenste determinatie weggenomen (‘knock-out techniek’). De persoonlijke strafuitsluitingsgrond “het is mijn natuur” gaat dan niet meer op. “Long live the new flesh” heet het in Cronenbergs film Videodrome. Door deze transformatie opent zich een ruimte voor keuzes, waarin de reflexieve houding van het beslissen nog steeds kan doorwerken. Het strafrecht blijft op deze wijze een kantiaanse reflexiviteit veronderstellen: ieder handelen blijft minimaal bemiddeld en in deze reflectie opent zich een ruimte van verantwoordelijkheid. Dit betekent dat schuld - in de stilzwijgende betekenis van verwijtbaarheid als voorwaarde voor de strafbaarheid - aan belang zal inboeten.
We bevinden ons in machinieke tijden. Met de oorlogs-, zicht- en vleesmachine heb ik vanzelfsprekend geen feitelijke weergave van het strafrecht proberen te geven. Ik heb alleen een analyse van hun (be)werkingen op het oog gehad. In hun complexe dynamiek laten de verschillende machinieke processen zien dat vanaf de negentiende eeuw fundamentele verschuivingen in het strafrecht plaats hebben gehad. Om dit te begrijpen, moeten de verschillende productieapparaten die constitutief zijn voor het strafrecht, in kaart worden gebracht. Daarbij dient op zoek te worden gegaan naar hun transformaties om zo over een op te treden (re)mix te kunnen oordelen: wanneer wordt zij geproduceerd, in welke vorm wordt zij geproduceerd, en in welke volgorde wordt zij geproduceerd? Want ofschoon een synthese tussen de (be)werkingen die plaatsvinden binnen de processen tot de mogelijkheden behoort, laat dit onverlet dat de primaire (be)werkingen onderling afwijkend zijn. Normaliteit, socialiteit, gen-ialiteit. Discipline, controle, modificatie. Gevangenisstraf, elektronisch toezicht, transformatie. Bekentenis, registratie, DNA. De analyse van het strafrecht zal een geografie moeten zijn, geen geschiedenis. Tegen deze achtergrond lijkt een nadere discussie over de veelvoudige (be)werkingen of wordingen, die in het strafrecht plaatsvinden onontbeerlijk omdat nieuwe constellaties zich aandienen. Zo zal door een toenemende informatieve transparantie de notie van de openbare ruimte het binaire onderscheid tussen de private en publieke ruimte doorkruisen. En zal door een verdergaande aantasting van de lichamelijke integriteit de notie van verantwoordelijkheid de plaats van het schuldbegrip in het strafrecht gaan innemen.